Column bestuurder Erik Wissink
De school om de hoek: het belang van thuisnabij onderwijs
Toen mijn ouders in 1967 een huis toegewezen kregen in Eindhoven, in de wijk de Tempel, was er nog geen basisschool in de buurt. Dat betekende dat mijn moeder mij elke ochtend op de fiets naar een school in een andere wijk moest brengen, terwijl mijn jongere broertje nog in bed lag. In gedachten zie ik hem nog voor het raam staan, met zijn matras op zijn rug, wachtend tot we weer thuiskwamen en de dag echt voor hem begon. Het lijkt een klein detail, zo’n kind met een matras voor het raam, maar het vertelt alles over hoe ver school en thuis toen nog uit elkaar lagen.
Na een tijdje veranderde dat. Er werd een basisschool gebouwd, gewoon in de straat waar wij woonden. Dat had wel wat voeten in de aarde: we werden nog een tijdje met bussen vervoerd naar een school aan de Parklaan in Eindhoven, alsof kennis pas begon na een rit door de stad. Maar uiteindelijk werd basisschool De Tempel een feit, midden in de wijk, tussen de voortuintjes, de keukentafels en de stoepkrijttekeningen. Ik mag met enige trots zeggen dat ik de eerste leerling van die school was, nummer één op de lijst, en dat geeft mij nog altijd een glimlach als ik eraan denk.
De herinneringen aan die tijd zijn warm en simpel. Mijn broer en ik hoefden alleen de straat over te steken en we waren op school. Vriendjes en vriendinnetjes woonden allemaal in dezelfde buurt, zaten bij elkaar in de klas en direct na schooltijd gingen de tassen in de hoek en begon het buitenspelen. Er was geen ingewikkelde logistiek, er waren geen carpoolgroepen of appgroepen vol met schema’s. Er was een plein, een straat en een groep kinderen die vanzelfsprekend bij elkaar hoorden. Dat gun je toch ieder kind, denk ik dan. Samen met broertjes en zusjes, vriendjes en vriendinnetjes uit dezelfde buurt naar dezelfde school, dag in dag uit.
Die ervaring van dichtbij, van om de hoek, is precies waarom we in onze vastgestelde visie op de inclusieve leer- en ontwikkelomgeving nabijheid als een van de kernbegrippen hebben gekozen. Niet als nostalgisch verlangen naar “vroeger was alles beter”, maar omdat nabijheid nog steeds een voorwaarde is om echt inclusief te kunnen zijn. Thuisnabij onderwijs betekent dat kinderen niet alleen in de eigen wijk leren lezen en rekenen, maar ook leren samenleven met de kinderen die ze op straat tegenkomen. Niet apart, maar erbij. Hier gaan we met de gezamenlijke schoolbesturen in ons SWV voor.
Inclusief onderwijs klinkt vaak groot en abstract, met beleidsplannen, formats en overleggen die tot ver na kantoortijd doorgaan. Maar in de kern gaat het om heel gewone dingen: wie loop je tegen het lijf op het schoolplein, wie zit er naast je in de kring, met wie fiets je naar huis? Wanneer de school in de straat of wijk iedereen welkom heet – ook het kind met een ondersteuningsvraag, een andere taal, een ander tempo of een andere uitdaging – dan leren kinderen dat verschillen bestaan en dat die er mogen zijn. Dan kijken we of we de context kunnen aanpassen. De verschillen worden pas echt lastig wanneer we ze weghouden bij elkaar, als kinderen elkaar alleen nog “op papier” ontmoeten in beleidsnota’s, in plaats van gewoon bij de kapstok of in de zandbak (zonder asbest).
Thuisnabij onderwijs en inclusief onderwijs horen daarom bij elkaar als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt nog zo mooi zeggen dat ieder kind een plek verdient, als die plek ergens aan de rand van de regio ligt, ver weg van broertjes, zusjes en buurtvrienden, voelt het toch een beetje als “erbij, maar op afstand”. De kracht van de school om de hoek is dat kinderen samen opgroeien in dezelfde omgeving: ze vieren dezelfde buurtfeesten, lopen langs dezelfde speeltuin, kennen dezelfde straten waar ze leren fietsen. Wanneer diezelfde kinderen ook nog eens samen in de klas zitten, krijgt het woord “inclusief” eindelijk een gezicht: dat van het kind dat je elke dag tegenkomt.
Misschien moeten we het daar wat vaker over hebben, als we met elkaar praten over passend en inclusief onderwijs. Niet alleen over arrangementen en indicaties, maar over straten, stoepen en schoolpleinen. Over de moeder die niet elke ochtend een slapend kind thuis moet achterlaten, omdat ze een ander kind ver weg moet brengen. Over de jongen met zijn matras voor het raam, die eigenlijk gewoon had moeten kunnen zwaaien naar de school aan het eind van de straat.
Als ik terugdenk aan De Tempel, de school waar ik als eerste leerling mijn naam op een lijst zag staan, dan zie ik geen beleidsstuk voor me, maar een wijk die ademde rond een school. En ik denk: dat is nog steeds waar we naartoe willen. Een inclusief systeem dat begint met iets heel kleins en concreets: een school om de hoek, waar ieder kind door dezelfde deur naar binnen mag stappen. Wat een mooi perspectief.