Column bestuurder Erik Wissink
Nieuwe ronde, nieuwe kansen
Gemeenschappelijkheid in relatie tot bestuurlijke autonomie
Ik wil allereerst iedereen het beste wensen voor 2026, met veel geluk, gezondheid en werkplezier.
Op het moment dat ik dit aan het typen ben, is onze wereld wit gekleurd. Ik zou bijna zeggen maagdelijk wit. En als ik dan ‘s avonds aan het wandelen ben met de hond in de stille witte natuur, dan gaan mijn gedachten automatisch naar het jaar dat voor ons ligt. Als bestuurder van het SWV zie ik een uitdagend jaar, met als belangrijkste opgave het vaststellen van een breed gedragen ondersteuningsplan dat richting geeft aan onze visie op een inclusieve leer- en ontwikkelomgeving. Het komen tot een plan, niet als verplichte horde in het wetgevingparcours, maar als routekaart richting de inclusieve leer- en ontwikkelomgeving waarover we de afgelopen jaren samen hebben gesproken. De visie ligt er. Papier genoeg. De echte uitdaging begint daar waar de visie het schoolplein raakt: in de bestuurskamer, in het teamoverleg, in het gesprek met ouders over wat hún kind nodig heeft.
Want daar wringt en schittert het tegelijk: het spanningsveld tussen onze gemeenschappelijke doelen als SWV en de bestuurlijke autonomie van scholen en besturen. We willen allemaal dat ieder kind een plek vindt waar leren en ontwikkelen geen gunst zijn, maar een vanzelfsprekendheid. Tegelijkertijd heeft ieder bestuur zijn eigen geschiedenis, zijn eigen keuzes, zijn eigen kleur en zijn eigen lokale context. Hoe zorgen we ervoor dat die diversiteit geen hindernis wordt, maar een kracht binnen het gezamenlijke kader dat we met elkaar afspreken?
In het nieuwe ondersteuningsplan moeten we misschien minder praten over formulieren en meer over verhoudingen. Over de manier waarop we besluiten nemen. Hoe komt een schoolbestuurlijke keuze tot stand binnen de contouren van het SWV? Wanneer spreken we elkaar aan, niet alleen op de naleving van afspraken, maar ook op de intentie daarachter? Een ontwikkelingsgericht ondersteuningsplan vraagt om precies dat: dat we elkaar niet alleen zien als contractpartners, maar ook als professionals die samen verantwoordelijkheid dragen voor het geheel.
Dat plaatst ook de positie van het samenwerkingsverband zelf in een ander licht. We hebben een wettelijke opdracht en een bovenbestuurlijke rol, maar voelen geen behoefte om een anonieme “bovenlaag” te zijn die op afstand knopen doorhakt. De vraag is dus niet alleen: wat móeten we volgens de wet? De vraag is ook: welke keuzes willen we met elkaar maken om die wettelijke ruimte zo in te vullen dat scholen zich gesteund voelen in plaats van gestuurd, en dat kinderen er merkbaar beter van worden?
In die zoektocht loont het om kritisch te kijken naar de regels en de manier waarop toezicht is georganiseerd. Op welke wijze kijken we naar de bedoeling? Soms lijkt het wettelijk kader smaller dan de praktijk vraagt. Denk aan de ondersteuningsroutes, de aanvragen voor arrangementen, de rol van externe deskundigen. Het gevaar is dat we elkaar verliezen in procedures en beoordelingen, terwijl het gesprek over wat een leerling nu echt nodig heeft, te weinig aan bod komt. Dan wordt een ondersteuningsplan een checklist in plaats van een kompas.
Nieuwe ronde, nieuwe kansen dus. Maar geen leeg motto. De komende tijd vraagt om de moed om scherpe keuzes te maken: wat leggen we vast omdat het moet, en wat spreken we af omdat we er als professionals zelf in geloven? Waar geven we elkaar ruimte voor lokale kleur, en waar trekken we de lijn omdat gelijke kansen om gezamenlijke grenzen vragen? Als we die vragen niet alleen bestuurlijk, maar ook met leraren, intern begeleiders, ouders en – waar mogelijk – leerlingen zelf bespreken, krijgt ons nieuwe ondersteuningsplan een hartslag.
Misschien is dat wel de belangrijkste wens voor het nieuwe jaar: dat we samen zorgen voor een plan dat niet alleen in de kast past, maar vooral in de (toekomstige) klas. Een plan waarin de taal van wetgeving en inspectie wordt vertaald naar dagelijkse praktijk, een plan dat gemeenschappelijkheid uitstraalt maar waarin schoolbestuurlijk specifieke keuzes gepositioneerd zijn. Een plan naar onderwijs dat leerlingen gezien laat vertrekken aan het einde van de dag, naar onderwijs dat niet alleen de uitdaging zoekt in kindgelegen factoren, maar dat bereid is de context waarbinnen het kind zich kan ontwikkelen en kan leren kritisch te beschouwen en aan te passen.
Het toewerken naar een breed gedragen inclusieve leer- en ontwikkelomgeving. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Maar dan wel kansen die we met elkaar waarmaken.