Column bestuurder Erik Wissink

Relatie als basis om te kunnen ontwikkelen én elkaar te accepteren

Geen kind komt werkelijk tot leren zonder zich eerst gezien, gekend en veilig te voelen. Die overtuiging werd al vroeg gevoed tijdens mijn studie aan de Universiteit Utrecht, waar ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw college kreeg van professor Luc Stevens, de grondlegger van het adaptief onderwijsconcept. Hij stelde dat ieder kind, ieder mens, drie basisbehoeften heeft: de behoefte aan competentie (‘ik kan iets goed’), de behoefte aan autonomie (‘ik kan het zelfstandig’) en de behoefte aan relatie (‘ik word werkelijk gekend en gezien’). Dit concept is later verder vertaald naar leerkrachtgedrag en klassenorganisatie. In deze column wil ik vooral stilstaan bij de derde basisbehoefte: de behoefte aan relatie. Daarbij wil ik nadrukkelijk toevoegen dat veiligheid voor iedereen centraal moet staan. Veiligheid is in mijn ogen het vertrekpunt van waaruit ontwikkeling mogelijk wordt.

Als we terugdenken aan onze favoriete leerkracht van vroeger, komen vaak dezelfde herinneringen naar boven. Die leerkracht was duidelijk. Je wist waar je aan toe was. Hij of zij gaf je het gevoel dat wat van je gevraagd werd haalbaar was. Maar bovenal liet deze leerkracht merken dat jij ertoe deed. Er was oprechte interesse: hoe was het voetballen gegaan, hoe ging het thuis, wat hield je bezig? Kortom: deze leerkracht wilde werkelijk een relatie met je aangaan.

Hoe waardevol dat kan zijn, weet ik uit eigen ervaring. In de vierde klas van de lagere school De Tempel in Eindhoven kregen wij een nieuwe, startende leerkracht: meneer Ruud van de Vijfeiken. Aan hem bewaar ik warme herinneringen. Hij zag ons net iets meer staan, wist wie ik was en toonde oprechte belangstelling. Hoe bijzonder is het dan dat ik hem op latere leeftijd opnieuw mocht ontmoeten en dat daaruit regelmatige bijpraatmomenten zijn ontstaan, waarin hij nog steeds diezelfde oprechte interesse toont. Dat ene jaar op de lagere school werkt, zo ervaar ik het, nog altijd door in de professional en mens die ik heb mogen worden.

Gekend worden, gezien worden en vanuit veiligheid een open relatie kunnen aangaan: het zijn wezenlijke voorwaarden om tot ontwikkeling te komen. En misschien nog fundamenteler: het zijn voorwaarden om graag naar school te gaan.

Relatie is in mijn ogen ook een cruciale opgave in de beweging naar een inclusieve leer- en ontwikkelomgeving. De diversiteit binnen onze klassen zal toenemen, zeker in onze regio die demografisch volop in ontwikkeling is. De vraag is dan: hoe zorgen we ervoor dat kinderen daadwerkelijk gekend worden? Hoe blijven we nieuwsgierig en open? Hoe zorgen we ervoor dat kinderen graag naar school komen en zich werkelijk welkom, gezien en erkend voelen in wie zij zijn — met alle beloften die zij met zich meedragen?

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Mede daarom ben ik trots op het programma Samen Leren in Diversiteit, waarvan SWV Helmond-Peelland PO penvoerder mag zijn. Binnen dit programma worden kinderen en ouders door professionals uit de eigen cultuur begeleid bij de eerste stappen naar school. Tegelijkertijd wordt de school ondersteund in de kennismaking met een andere cultuur, met andere vanzelfsprekendheden en met soms andere verwachtingen over onderwijs en opvoeding.

Het belang daarvan is groot. Niet in de laatste plaats omdat het ons helpt om blokkades in ons eigen denken te herkennen. We dragen allemaal beelden, aannames en soms ook vooroordelen met ons mee. Vaak zijn we ons daar maar beperkt van bewust. Toch kunnen juist die beelden ons belemmeren om de ander werkelijk open tegemoet te treden. Een kind of ouder kan dan voelen dat hij of zij niet volledig wordt geaccepteerd. Daar bewust en professioneel mee omgaan vraagt reflectie: individueel, maar zeker ook met elkaar als team. Het begint bij de bereidheid om werkelijk nieuwsgierig te zijn: wie ben jij, wat houdt jou bezig en wat vraagt dat van mij?

Een open relatie aangaan betekent niet dat we alles loslaten wat in Nederland binnen het onderwijs is georganiseerd. Het betekent wél dat we ons bewust zijn van de verwachtingen waarmee ouders en kinderen de school binnenstappen, vaak gevormd door ervaringen uit het land of de cultuur van herkomst. Juist dan helpt het om bewust de relatie aan te gaan en oprecht nieuwsgierig te zijn. Dat kan ongemakkelijke momenten, wederzijds onbegrip of ergernis voorkomen. Sterker nog: het kan het begin zijn van een mooie, verrijkende relatie waar beide partijen veel aan kunnen hebben. Uiteindelijk begint inclusie niet bij structuren, programma’s of goede bedoelingen, maar bij die ene wezenlijke vraag: voel jij je hier veilig genoeg om te mogen zijn wie je bent en te kunnen worden wie je kunt zijn? Dáár begint ontwikkeling. Hoe mooi is dat!